De Cassandra's van deze tijd
“Nederlanders worden pas wakker als hún monumenten worden beklad en komen pas in actie als hún eer ineens groots wordt aangetast,” zegt een vrouw hier tijdens een samenkomst van Nederlandse Joden, Israëli’s en Iraniërs. Kanaries in de kolenmijn zijn we, zittend aan een vergadertafel op een bedrijvenpark in Amsterdam.
We wensen het hún niet toe. Want we weten hoe dat is: onze eer is al lang aangetast. Wij moeten nu al de gracht in worden gegooid, zijn nu al niet welkom op concertpodia en op campussen. Wij moeten nu al aanhoren hoe de oorlog met Iran niet mag van het internationale recht en van seniele, arrogante podcasters, activistische roeptoeters met een columnpje en rood-aangelopen talkshowtafeldeskundigen. En dat terwijl tienduizenden moedige demonstranten op de straten van het trotse Iran worden neergemaaid. Weggevaagd, in opdracht van de ayatollahs en hun baardennetwerk die het trotse land bezetten sinds de revolutie. Dezelfde tulbanden die een kernbom zouden mogen ontwikkelen om de machtsbalans in de zandbak te behouden, aldus de expert van dienst bij de NPO of RTL vanavond.
Wij horen al tweeënhalf jaar nadat onze dansende jongens en meisjes, de mooiste, liefste en levendigste jongens en meisjes, in de Negev-woestijn werden verkracht, ontvoerd en afgeslacht, dat wij, wij die van ze hielden, nu de ergste misdaad plegen die er is, genocide. Of dat wij die genocide goedpraten, die genocide die is bevestigd in de postmoderne echokamer van met elkaar inwisselbare ngo’s. We horen steeds vaker nu dat het enige land waar onze broers en zussen de meerderheid vormen niet had moeten bestaan. Weer een trede hoger op de geplande escalatieladder, zoals verwacht. Daar doet geen staakt-het-vuren iets aan af. Eigenlijk bedoelen de roepers (die soms welhaast beschaafd lijken als ze rustig spreken voor een camera) dat wij niet mogen bestaan, maar sommigen realiseren zich niet dat dat de diepere bedoeling is onder hun demonisering, die ze ook maar algoritmisch is toegespeeld door mensen die zij niet kennen.
Trots zijn we, maar ook wanhopig. We willen iets doen, want we wonen hier, zijn onderdeel van, en houden van Nederland. Wij zijn hún. Wij zijn ook Nederlanders. We moeten iets doen, maar wat? Iets doen om de stroom aan domheid, de leugens, de stroom aan inktzwarte frames doordrenkt van islamogauche-paradepaardjes te stoppen. In de media, in de politiek, op podia, op straten. We willen iets doen om Nederlanders wakker te schudden. Maar wat kunnen we doen? Ons vastketenen aan het spoor, een campus bezetten. Nee, we zijn geen copycats. We zijn activistenmaagden, de meesten onder ons, dus we denken na.
Sommigen van de mensen hier kwamen hier om islamisme en terrorisme te ontvluchten, maar ze zijn bang hier weer vandaan te moeten vluchten nu de samenleving zich hier ontrafelt. Kanaries in de kolenmijn noemen we onszelf. Cassandra’s zijn we, denk ik bij mezelf. Just my luck!
Iedereen hier vraagt zich af wanneer Nederlanders het ook zullen zien. Hoe de sociale samenhang is losgeweekt, hoe morele verwarring regeert. Hoe we duister gedachtegoed importeren. Wekelijks komen er honderden asielzoekers het land binnen, velen met onbekende nationaliteit. Screening van de instromers loopt jaren achter. Zullen Nederlanders, onze buren en vrienden, ooit opstaan? Zullen ze het zien? Of is het dan te laat? Is het nu al te laat? “Eerst de zaterdagsmensen, dan de zondagsmensen. En dan alle anderen,” iemand werpt dat citaat (van wie eigenlijk?) op tafel. Wordt het toch nog gezellig, hm.
Zullen we een demonstratie organiseren, bedenken we? Een event, een ludieke actie? We zijn immers trots, wij zijn het slachtofferschap ontstegen, we hebben niks meer te verbergen.
Maar zullen ze komen, de niet-Joodse, niet-Iraanse Nederlanders? De mensen uit Urk zullen komen. Die mensen zijn wel wat tegenwind gewend. Die zullen naast ons staan. Zoals ze altijd doen. Net als de christenen uit Barneveld en elders op wie de BOOS-man van BNNVARA zijn pijlen richt, geholpen door het ND. Op die mensen kunnen we nu bouwen. Die zijn ook trots.
Maar komen ook mijn oude vrienden, spookt het door mijn hoofd? Mensen die zeggen te geven om minderheden? Om homorechten, feminisme, emancipatie? Die leven voor vrijheid en in alles tegen religieuze dwang zijn.
Waar zijn zij? Ik heb ze tweeënhalf jaar lang amper gesproken. Ze bellen niet. “Volgens mij was jij vroeger best een progressieve jongen,” merkte iemand van de GeenStijl-redactie op toen ik in hun podcast aanschoof.
Ja, een progressieve jongen. Ik ben dat nog steeds. Maar hoe kan ik mijn oude vrienden ervan overtuigen te komen?
Ik denk dat ze nooit zullen komen. Ik denk dat hún bubbel als laatste barst.



Er zijn een hoop mensen die precies weten hoe jij je voelt. Meer dan je misschien wel denkt. Het probleem is dat ze met dezelfde vraag worstelen: hoe buig je een negatieve spiraal terug omhoog?
Ik voel met je mee. Zelf heb ik geen Joodse achtergrond en ik ben niet gelovig. Wel heb ik veel verhalen meegekregen tijdens mijn schooltijd op de Veluwe en altijd ben ik geïnteresseerd geweest in geschiedenis.
Dat laatste is denk ik wat er bij veel mensen aan schort. Geen kennis, geen idee hoe dingen zijn ontstaan, wat er vroeger is gebeurd, waarom dingen zijn zoals ze zijn.
Verblind zijn er velen door hedendaagse platgeslagen ‘explainer’ filmpjes op tiktok, ‘satire’ van Lubach, Dit was het Nieuws of Even tot Hier, waar het gewenste gedachtegoed wordt onderwezen met een besmuikt lachje.
Ik zucht er soms diep van.
We hebben onze rust gevonden in een spaans bergdorpje, waar het hele jaar uitgekeken wordt naar de fiestas in de zomer, de mensen elkaar groeten op straat en een praatje met me maken als ik de citroenen pluk uit de boom in mijn tuin.
Ik heb de taal geleerd, het kan altijd beter, maar ik kan prima praten over citroenen en fiestas.
De kennis gaat nog niet zo diep dat ik een boom kan opzetten over politiek, maar dat is het laatste waar ik behoefte aan heb hier, en als ik het zo een beetje inschat, dan hebben mijn dorpsgenoten daar ook geen behoefte aan. Politiek gaat hier hooguit over dat de fontein bij de kerk gerepareerd moet worden en het afval nog niet is opgehaald.
De vrienden uit Nederland sorteren zich vanzelf uit. Met sommigen is het contact geïntensiveerd, met anderen juist verwaterd. Het is fijn om te weten wie je gelijkgestemden zijn. Met anderen vermijd je bepaalde onderwerpen juist.
In oktober ga ik naar Israel, een vriendin bezoeken die ik nog ken van de middelbare school. Ze had een Nederlandse moeder. Sinds 7 oktober hebben we veel contact. Haar schoonzoon is doodgeschoten bij het Nova festival. Ze wisten het pas na ruim een week. Hij was niet goed te identificeren. Een onbeschrijfelijk drama.
De gelijkgestemden weten al een tijdje dat ik naar haar toe ga. De wat minder gelijkgestemden komen er vanzelf wel achter. Het voelt voor mij vreemd genoeg als provoceren om het ze te vertellen en ik heb geen zin in discussies. Ik vind dit ergens erg raar van mezelf, maar ik wil me niet hoeven verantwoorden. Gewoon geen zin meer in.
Ik hoop dat de nare wind gaat liggen. Van Covid ging het naar Oekraïne/Rusland en daarna Israël/Gaza. Ik heb het idee dat ik al 6 jaar lang in een onstopbare discussiestorm zit waarbij iedereen weer wat anders vindt en waarbij er altijd wel een onderwerp is waar je het niet met elkaar eens bent.
De energie die het kost is doodvermoeiend.
Dat het tij maar gauw moge keren. Ik pers nog maar een citroen voor in m’n drankje.