Gay as tits, not queer
Soms een burgertrut, soms weer die alto... Wat heeft het woord queer te maken met transgenderzorgprotocollen voor minderjarigen? Voor normale menschen: geen ene malle moer. Maar hold your horses.
Deze week gebeurden er twee dingen die niks met elkaar te maken lijken te hebben. Maar dat doen ze wel. In de New York Times verscheen een opiniestuk van een homoseksuele man, Matthew Vines, die het woord queer bekritiseert. In Den Haag verscheen het advies van de Gezondheidsraad over puberteitsremmers voor minderjarigen. Het eerste lijkt een taalkwestie binnen een subcultuur, het tweede is een medische discussie. Maar lees door, want ik bepleit: het is één verhaal.
1: Gay as Tits
Eerst het woord. Ik ben homo. Ik noem mezelf niet queer, net zoals Matthew Vines zichzelf niet queer noemt (hij gebruikt gay, ik homo, same thing). Ik heb het woord queer nooit gebruikt als ik het over mezelf had en zal het nooit gebruiken, en neen, dat is niet omdat ik een ouwe lul ben, maar ik gebruik het niet uit principe. Ik ben voorzitter geweest van twee LHBTI-organisaties, Meer dan Gewenst en het Pride-netwerk van een politieke partij, ik heb vergaderd met mensen van belangenorganisaties als COC en Transgendernetwerk, waar mensen werken en waar mensen zich inzetten die ik aardig vind, oprecht, en die ik nooit zal ontmenselijken, dus men kan mij veel verwijten, maar niet dat ik van buiten de stal blaf.
Matthew Vines schreef in The New York Times op waarom die weigering om het woord queer te gebruiken ertoe doet, en hij werd er prompt door de eigen parochie voor op de brandstapel gezet, op Engels- en ook op Nederlandstalig Twitter (en voornamelijk Bluesky). Dat is doorgaans een teken dat iemand iets waars heeft gezegd.
Ik ben het volmondig eens met Vines. De hele homo-emancipatie rustte namelijk op één gedachte, en het was een goede: je kiest je geaardheid niet, dus je hoeft niets te bewijzen of te veranderen. Je mag gewoon meedoen: trouwen, kinderen krijgen, belasting betalen, mopperen op de buren. Een spannend leven leiden, of een saai leven desnoods, want ook dat is een burgerrecht. Het woord queer zet in dat concept de bijl. Het blaast alles op tot een allesomvattend anderszijn, want dat is wat queer betekent, “anders, vreemd”. Het is een levenslang statement tegenover “het gewone”. Ik snap, net als Vines, best dat activisten tijdens de aidsjaren het woord aangrepen, om duidelijk te maken dat het bepaald geen vrolijk (gay) lolletje was om toentertijd homo- of biman te zijn. Maar waarom zouden ik, of andere homoseksuelen, lesbiennes, biseksuelen, of mensen die zich transgender of non-binair noemen, mensen die gewoon het leven leven en het goed hebben, of willen hebben, dat vandaag nog moeten? A rose by any other name is still a rose. Een mens is een mens.
Nu hoor ik je denken: niemand verplicht jou toch queer te zijn? Klopt als een bus. Maar dat is het punt niet. Het punt is dat een beweging die anderszijn tot totempaal maakt, nergens heengaat… Die beweging blijft maar ronddraaien rondom die paal. Want bedenk: welk beleid streef je na als je niet aan de norm voldoet? Waar zet je op in met je public affairs-inzet (”lobby”)? Als je krijgt wat je wenst, stop je dan queer, vreemd te zijn? Is het doel buiten de normatieve kaders te blijven? Then what is the point precies? Klinkt me allemaal rete-puberaal en alto (wat ik zelf ook was voor ik volwassen werd).
En daar wringt het, want wie is er nu het gevoeligst voor de boodschap dat je onbehagen geen fase is maar een identiteit? Juist: de puber. Puberaal is geen scheldwoord, het is een levensfase, en het is precies de levensfase waarin je je vreemd voelt in je eigen lijf, in je eigen klas, in je eigen familie (ik heb een veertienjarige thuis, kan erover meespreken). Zeg tegen een generatie veertienjarigen dat anderszijn het hoogste is wat een mens kan bereiken, en verbaas je vervolgens niet als zij zich massaal komen melden bij het loket waar dat anderszijn een diagnose krijgt, en een behandeling.
2: Arrogante Hollanders over gender
Dat loket bestaat. Het heet de genderpoli, en ook daarover verscheen deze week nieuws: de Gezondheidsraad bracht advies uit over de genderzorg voor jongeren. De Tweede Kamer had, per motie van Rosanne Hertzberger, een simpele vraag gesteld, de vraag die elke ouder aan elke dokter stelt sinds mensenheugenis: gaat het beter met mijn kind? Wat zijn de fysieke en mentale uitkomsten van de behandeling die het onderging? Specifieker: de behandeling van kinderen met, zoals dat wordt genoemd, “genderdysforie” onder het Dutch protocol. En hoe doen Nederlandse kinderen bij de genderpoli het in vergelijking met leeftijdsgenoten in andere landen, die de genderzorg anders hebben ingericht? Verbetert hun welzijn door de behandelingen?
Die vraag was niet uit de lucht gegrepen, want de wachtkamer van de genderpoli is in tien jaar onherkenbaar veranderd. Vroeger: vooral jongens, met een genderidentiteit die al vanaf de kleutertijd consistent anders was. Nu: vooral meisjes, vaak angstig, depressief of autistisch, bij wie het pas in de puberteit begon. Het aantal aanmeldingen verdrievoudigde in een paar jaar. Als een patiëntenpopulatie zo snel en zo ingrijpend verandert, precies in de jaren waarin anderszijn tot cultureel ideaal werd verheven, dan wil je als arts, als raad, als land toch weten wat hier gebeurt? De Gezondheidsraad besteedt er slechts één verklaring aan: meer zichtbaarheid, waardoor meer jongeren zich durven melden. Dat geeft blijk van het overnemen van de ideologische boodschap van het belangenveld, dat ik van binnenuit ken. Maar op grond van welk bewijs?
Verder geen antwoorden op de vragen in de motie. Lees het advies en zoek, maar je vindt ze niet. Je vindt wel iets anders: het proces is zorgvuldig ingericht. Er is verkend, gediagnosticeerd, geïndiceerd, overlegd. En verderop, kleiner gedrukt, staat wat er niet is: kennis over de lange termijn, over cognitie, over vruchtbaarheid, over spijt. De Kamer vroeg hoe het ging met het kind maar kreeg de jaarkalender van de kinderopvang. Dit advies is geen antwoord op de politieke vraag die voorlag! Dat is een politieke blamage, en de Kamer zou dit rapport alleen daarom al onmiddellijk door de shredder moeten halen.
Zoals ik schreef op Twitter: ja, ik ben ook een chauvinist, maar in dit rapport openbaart zich een typische, diepgewortelde Nederlandse arrogantie. Finland, Zweden en Engeland zagen de patiënten veranderen en trapten op de rem. Wij Nederlanders doen dat niet, want wij Nederlanders weten alles beter. Want wij hebben protocollen en checklists, en de vinkjes staan waar ze horen te staan. Er is multidisciplinair overlegd, met alle stakeholders. Dat het kind met het badwater wordt weggezogen, doet niet ter zake. Het gaat om het watermanagement, daarvoor bestaat een deltaplan. De mens en het welzijn van mensen, het welzijn van kinderen, is secundair. Wij Nederlandse regelnichten verwarren onze processen met het Goede. Tiepies Hollands.
3: Eén verhaal
Zo raken de twee verhalen elkaar dus, en niet zijdelings maar frontaal. Want, en hier kom ik weer met mijn favoriete woord: emancipatie is toch echt het omgekeerde, of was ooit het omgekeerde. Emancipatie zei: je bent al iemand, ga maar leven, je bent goed zoals je bent, je hoort er gewoon bij. Dat was de revolutie, en die was in het Westen bijna af. Wat rest voor het belangenveld is een voortzetting van activisme als eeuwige opstand tegen het gewone. Ik word er triest van, en ik schat dat de activisten zelf zich nog triester voelen, want hoe vermoeiend moet dat continue anderszijn wel niet zijn?!





